KING
training

development

we steken nog altijd meer energie in pogingen bepaalde dingen
níet meer te doen, dan andere dingen wél te doen...

Persoonlijkheid als Instrument
(Artikel voor Tijdschrift Loopbaan sept. 2003)
Tegenover me zit mijn derde cliënt van die dag. Hij is door de naar mij verwezen voor begeleiding bij een voorlopige herintrede en bezinning op zijn loopbaan. Hij straalt een superieure reserve uit, waarschijnlijk een reactie op de voor hem ongemakkelijke afhankelijkheid, waarin hij terecht is gekomen. Hij is het als leidinggevende duidelijk niet gewend om op een ‘klantstoel’ te zitten.

Met een minachtend glimlachje neemt hij mij op alsof ik bij hem op sollicitatie kom. Natuurlijk ga ik mij inzetten voor een goed kennismakingsgesprek: oogcontakt, kopje thee, zorgvuldige vraagstelling, notities, afspraken, opties op een rijtje, visitekaartjes ruilen en betrokkenheid tonen. Maar lekker voel ik mij bij deze man niet. Ik weet dat ik de kans loop om over anderhalf uur behoorlijk moe te zijn en blij met zijn vertrek.

Hoe rijm ik mijn intentie om mijn klanten goed van dienst te zijn met mijn emotionele reactie op deze klant in de trant van: ‘Donder jij toch gauw op, arrogante zak, voor jou tien anderen!’

Al langer weiger ik te accepteren dat je in het werken met mensen “nou eenmaal af en toe je gevoel opzij moet zetten om je werk goed te kunnen blijven doen”. Ik vind dat voor ons mensenwerkers een hellend vlak. Voordat je het weet lijd je (en ook nog eens zonder er al te veel last van te hebbben) aan een tweevoudig gespleten persoonlijkheidsstoornis: enerzijds is er je professionele identiteit, waarmee je je opleiding en je ervaring inzet voor je klanten. Je wordt er weliswaar moe van, maar je eet er brood van en het is ten slotte werk. Anderzijds ben je naast je werk een privé-persoonlijkheid, waarin je je ontspant en je ‘jezelf’ bent. Die levert geen geld op, die kost geld, maar dan heb je ook wat.

In hulp- en dienstverlenende beroepen, het ‘mensenwerk’, is die verdeling in mijn ogen op den duur schadelijk, zowel voor de werker zelf, als voor de kwaliteit van zijn werk en dus voor de klant. Ons werk moet hobby zijn en onze hobby ons werk. Wij moeten op een professionele wijze echte personen zijn en dito contakt maken en op persoonlijke wijze professionals zijn, met ervaring en een ruim methodisch en theoretisch referentiekader.

In het begin van je carrière als begeleider of adviseur kun je denken het te kunnen redden met een degelijke opleiding, een succesvolle stage, een gestruktureerde methode, wat technieken en wat supervisie. Als er dan storende gedachten en gevoelens optreden in het werk t.a.v. jezelf of je klanten, dan lossen we dat in die fase op door die gevoelens en gedachten opzij te zetten en ons te concentreren op de methode en op de ander. We leren immers in veel opleidingen het vooral niet over een aantal onder de waterspiegel voorkomende reacties en interacties te hebben. Die worden verwezen naar het domein van “ach, we hebben allemaal wel eens een slecht humeur”, of “concentreer je op wat je doen moet en trek je niet teveel aan van die persoonlike gedachten en gevoelens”. Maar wat als dat niet werkt, of als blijkt dat in evaluaties van cliënten vaak onze, vaak ‘ongewilde’, persoonlijke reacties worden genoemd als de meest effectieve of indrukwekkendste?

Onderzoek heeft bevestigd, dat een zeer hoog percentage van de effectiviteit van therapeuten, huisartsen en andere hulpverleners berust op de relatie en niet op hun behandelmethode of medicijnen. Ook in bemiddelingswerk, loopbaanadvies en coaching wordt het succes van de begeleiding grotendeels bepaald door de kwaliteit van het contakt en maakt het minder uit volgens welke methode je werkt.

In de psychoanalyse wordt deze vaak onbewuste en oncontroleerbare interaktie beschreven in termen van ‘overdracht’ en ‘tegenoverdracht’. ‘Overdracht’ is wat de cliënt vanuit zijn verleden op de therapeut projecteert of ‘overdraagt’, b.v. – negatief- een angstaanjagende autoritaire bestraffende vader, of – positief- b.v. een ideale en onvoorwaardelijk liefhebbende moeder) en ‘tegenoverdracht’ slaat op hoe de therapeut op zijn beurt vanuit zijn verleden reageert op de projectie, de overdracht van de cliënt, b.v. – negatief- zich door de angst en de reserve van de cliënt miskend en onterecht behandeld voelen en boos worden, of –positief- door de idealisering van de cliënt zich gestreeld en gewaardeerd voelen, dat graag zo willen houden en confrontaties gaan vermijden. (Dit is een zeer beknopte omschrijving van overdracht en tegenoverdracht. Het onderwerp is zeer complex en van groot belang voor de verdere ontwikkeling van hulp- en dienstverlening en kan in dit artikel slechts in een paar aspecten worden geïllustreerd)

Deze processen spelen echter in elke relatie, zowel in werk als in privé en ze gaan altijd gepaard met angst voor kwetsing en angst voor controleverlies. Hoe concreter of ‘materiëler’ de hulp- of dienstverlenende handeling in die relatie is, des te minder speelt overdracht en tegenoverdracht er een rol in en des te veiliger voelen de spelers zich. Wanneer er echter sprake is van persoonlijke (‘immateriële’) begeleiding, advies of coaching, dan speelt de persoonlijkheid van de begeleider en de emotionele relatie juist een cruciale rol.

In het werken met mensen is goed contakt kunnen maken met jezelf en met de ander cruciaal voor de dienst- of hulpverlening. Er zijn maar weinig beroepsopleidingen in de sociaal-pedagogische sector die ons serieus leren hoe we dat moeten doen... Dat onvermogen lijkt te worden gecompenseerd met literatuur, theorie, methodes en technieken. Een goede, ervaren counsellor werkt niet “methodisch”, hij werkt met zichzelf, hij is zijn eigen instrument geworden.

De reden dat ik pleit voor het betrekken van de eigen persoonlijke gevoelens in het werken met mensen, is niet alleen omwille van de relatie, de menselijkheid en de vertrouwensband. Dat zijn wel belangrijke voorwaarden, nooit het doel. De klant koopt n.l. niet in de eerste plaats een relatie, hij koopt advies en een mogelijkheid tot versnelde persoonlijke ontwikkeling. Het werkelijke belang van onze persoonlijke expressie in een werkrelatie zit in het feit dat wij altijd ergens op reageren. Dat er altijd in de client een aanleiding is waar wij op reageren. Ons gevoel komt nooit zomaar uit de lucht vallen, of spontaan uit onze eigen innerlijk omhoog. Het is dan ook uitermate professioneel om expliciet en experimenteel met de client te onderzoeken of en hoe die aanleiding relevant is voor de thematiek van de begeleiding.

Als er iets is dat ik u als lezer van dit artikel zou willen meegeven is het wel een goed beargumenteerde overtuiging dat u niet gek bent als u met uw persoonlijke gevoelens reageert op uw cliënt. Uw gevoel is altijd een informatiebron over de cliënt en een krachtige motor achter uw interventies. Gevoel in relatie tot de cliënt is niet alleen onvermijdelijk, het is een absoluut noodzakelijke voorwaarde voor professioneel ‘mensenwerk’.

Onze gevoelsreacties zeggen dus iets over zowel onszelf als begeleider, als over de client. Wanneer we ons durven te identificeren met onze gevoelsreactie, met in ons achterhoofd dat het wel eens een signaal zou kunnen zijn van iets relevants in de client, dan brengen we het in en kijken we waar het heen gaat. Als trainer en supervisor van coaches, therapeuten en leidinggevenden, is het mij duidelijk geworden dat de eigen gevoelsreacties in het werken met cliënten alleen dan in te zetten zijn, wanneer wij bekend en vertrouwd zijn met die gevoelens. Bekend en vertrouwd ermee zijn houdt in dat wij er geen veroordeling of angst meer voor voelen. Dan durven we onze gevoelsreacties en onze impulsen in relatie tot een ander in te brengen. Als dat nog onvoldoende het geval is, is het volkomen terecht en ook in dienst van de cliënt om gevoelens te onderdrukken en voor je te houden. Met andere woorden: om ze te kunnen gebruiken moeten wij eerst onze gevoelens te pakken hebben en niet andersom.

Dus wat doe ik met mijn ‘tegenoverdracht’ in relatie tot mijn arrogante klant tegenover me? Ik ga dus niet met wilskracht mijn negatieve gevoelens onderdrukken en positieve interesse uitstralen, terwijl ik weet dat hij voelt dat ik niets doe met zijn overheersend gevoel van verzet jegens mij en de situatie. Dat zou de hele sessie tot een leugen maken. Ook wil ik niet alleen zijn negatieve houding begrijpen en in verband zien met de situatie waar hij in zit en acceptatie en begrip tonen en mijn gevoel duiden als iets van mijzelf. (In de trant van “dat ik me zijn houding dus persoonlijk aantrek, waarschijnlijk omdat ik mijn werk nog altijd doe om b.v. dankbaarheid en waardering te oogsten voor het ‘ondergewaardeerde kind’ in mij en laat ik maar in therapie gaan”) Ik wil ook niet gewoon zeggen dat ik hem een arrogante zak vind en dat hij me kwaad maakt. Bestaat het überhaupt wel om en authentiek jezelf te zijn en professioneel tegelijk?

Ik zou b.v. kunnen beginnen met bij hem te informeren hoe hij denkt dat hij bij anderen op zijn werk overkomt. Zowel in positieve als in negatieve zin. Als hij dan inderdaad zou vertellen dat hij zich wel kan voorstellen dat men hem soms arrogant, afstandelijk of superieur vindt, dan kan ik hem zeggen dat ik dat ook zie en voel en dat het mij kwaad maakt en dat ik mij op mijn beurt kan voorstellen dat anderen er ook kwaad van kunnen worden, of bang. Ik zal hem vragen of hij genoegen neemt met een dergelijke interactie en of hij dit ook herkent in de problematiek waarvoor hij hier komt? Zo kan ik mijn emotie uiten en blijf ik mezelf, ontspan ik me (ook als het aanvankelijk zeer spannend is om dit te doen) en tegelijk onderzoek ik een mogelijk zeer relevant aspect in het verhaal van de cliënt.

Er zijn drie voorwaarden voor het verantwoord expliciteren of ventileren van de eigen gevoelens naar een client:

1. Je moet zelf goed kunnen omgaan met die gevoelens. Alleen als jij ze kunt hanteren, kunnen ze als feedback bruikbaar worden en zijn ze veilig voor de cliënt.

2. Je moet een duidelijk professioneel kader kunnen geven waarbinnen jouw persoonlijke gevoelens naar de cliënt niet kunnen worden misverstaan als een aanzet tot een persoonlijke relatie.

3. Je moet het voor de cliënt goed duidelijk kunnen maken, dat bij uitwisseling van evt. negatieve gevoelens de relatie naar aanleiding daarvan wat jou betreft nooit op het spel komt te staan. (onvoorwaardelijkheid)

Soms is de eenvoud van een gestruktureerde methode, die je gewoon toepast en die goed belooft te werken, zo verleidelijk en aantrekkelijk. Niks relatie, projecties, transparantie, ‘kontakt maken’, overdracht e.d. Maar gelukkig vallen de meeste van de populaire methodische warme broodjes vrij snel door de mand als simplificaties van de werkelijkheid. Methodes en technieken in zichzelf werken niet of onvoldoende. Het zijn hooguit leuke speeltjes, ‘tools’, die altijd alleen werken binnen een echte relatie en dan nog zijn ze maar zeer beperkt verantwoordelijk voor het resultaat.

Probeert u het eens zo te zien: u ‘trakteert’ uw klant niet alleen op een methode, maar ook op ‘uzelf’, als volkomen gelijkwaardig voelend en reagerend mens in de rol van ‘proefpersoon’. U stelt uw persoonlijke gevoelens en reacties in dienst van de cliënt om zichzelf te spiegelen en beter te leren kennen. Zo geeft u goed gekaderd feedback en blijft u zelf ´schoon´, want u kunt uw eigen gevoelens naar de client op een verantwoorde manier uiten.

In al de jaren dat ik als therapeut, supervisor, coach en adviseur heb gewerkt ben ik tot de conclusie gekomen dat als wij in dit soort werk onze subjectieve en persoonlijke, ‘tegenoverdrachtelijke’ gevoelens en impulsen geen plek en functie weten te geven in dienst van het proces van de klant, dat we dan net als onze cliëntèle opbranden. We gaan dan twijfelen aan onze roeping en we moeten op zoek naar de verloren ‘bezieling’ in ons werk of we moeten ´ons ware zelf herontdekken´. Wat let mij om tegen mijn klant te zeggen: ‘Weet u dat zoals u zich hier opstelt tegenover mij, dat u mij kwaad maakt en dat ik net zo hard geen zin krijg in werken met u als u met mij blijkbaar hebt.’ Of: ‘Ik geloof niet dat het erg zinvol is zoals wij hier tegenover elkaar zitten.’ Of: ‘Ik vind ons gesprek tot nu toe niet erg aangenaam, hoe vind u het eigenlijk om hier te zitten?’ Technisch, communicatiekundig, zijn dit voorbeelden van de ‘inzet van tegenoverdracht’. Met andere woorden: het gebruik maken van de eigen persoonlijke gevoelsmatige reacties of impulsen in dienst van het proces van de cliënt. Of nog anders gezegd: zorgen dat je zelf schoon en transparant blijft, want dat wil die ander van jou als begeleider en dat wil je uiteindelijk zelf ook om niet krampachtig, onzeker en onecht ‘professioneel’ te hoeven zijn.

De reden dat we dergelijke directe en zeer effectieve en relevante feedback in ons werk maar zelden realiseren, is onze angst voor en onze onbekendheid met de gevoelens die je daarvoor naar de oppervlakte moet durven laten komen. Dergelijke eerlijkheid en transparantie is uiteindelijk kinderlijk eenvoudig en werkt snel en effectief, maar vergt wel een lange en vaak moeilijke weg van zelfonderzoek, zelfacceptatie, overwonnen schuld- en schaamtegevoelens en levenservaring.

Probeert u eens om een tijdlang te onthouden om in elk adviesgesprek ten minste één keer een persoonlijke inbreng te doen in de vorm van een herkenning, een voorbeeld of een associatie. Het ontspant uzelf en de cliënt en even bent u ook gewoon mens naast een ander mens i.p.v. de autoriteit of de ‘deskundige’. Hiermee kunt u zonder verlies van professionaliteit voorzichtig persoonlijke transparantie oefenen. U laat ermee aan de cliënt zien dat u de functionele rolverdeling niet nodig heeft als schuilplaats, dat u niet bang bent om zelf zichtbaar te worden. Bij zo iemand voelt een cliënt zich meestal veiliger.

Een ander voorbeeld: tijdens het gesprek met een jonge, intelligente, administratieve medewerkster bij een gemeentelijke afdeling over haar mislukte sollicitatie naar een leidinggevende functie op een andere afdeling word ik slaperig. Die slaperigheid kan ik goed plaatsen bij mezelf: het is half drie ’s middags, mijn vaste dieptepunt in de dag wat betreft concentratie. Ook heb ik die nacht maar kort geslapen vanwege de hittegolf. Als ik mijn slaperigheid zo helemaal voor mijn rekening neem, dan ga ik mijn best doen om wakker te blijven en probeer ik die slaperigheid te verbergen voor haar, uit angst dat ze zal denken dat ik niet helemaal lekker ben of niet geinteresseerd. Door mijzelf zo geweld aan te doen geef ik de mogelijkheid dat mijn slaperigheid iets met haar probleem te maken heeft geen kans. Als ik het aandurf om de slaperigheid niet alleen bij mijzelf te verklaren, maar ook te kijken wat het in haar is dat mij slaperig maakt, dan kan ik er wellicht iets mee doen voor haar. Mijn ervaring in zo’n geval is dat als ik dat hardop ga onderzoeken met een cliënt, ik gelijk weer klaarwakker ben en de cliënt ook, want die hoort weer even iets anders dan haar eigen bekende verhaal. Dus ging ik met andere oren naar haar luisteren en mijn aandacht ging vanzelf niet zozeer naar de inhoud van wat ze vertelde, maar hoe ze praatte. Het viel me op dat ze aan één stuk door praatte, in een vrij slepend en rekkend tempo. Ze liet consequent geen ruimte voor mij om een vraag te stellen of een opmerking te maken. Mijn ego protesteerde: ze was niet geïnteresseerd in mijn begeleiding, ze wilde slechts een klankbord. Mijn slaperigheid was een afweer van een dergelijke voor mij ‘pijnlijke afwijzing’. (let wel, dit alles maak ik ervan, is dus mijn tegenoverdracht) De kwaadheid die ik vervolgens voelde, maakte het mogelijk dat ik haar ‘met geweld’ kon onderbreken. Ik zei: ‘sorry, maar ik ga je even onderbreken, want ik heb geen idee wat je van mij wil behalve luisteren en voor luisteren alleen ben ik niet opgeleid en val ik in slaap. Dus wat wil je eigenlijk van mij?’ Ze kijkt me wat boos en gekwetst aan en zegt dat ze dat ook niet precies weet...( op zich al een belangrijke vaststelling) en in het doorvragen ernaar kwam aan het licht dat ze eigenlijk alleen maar heel erg die aandacht wilde voor haar gevoelens en gedachten die ze zozeer had gemist van haar ouders. En als ze dan aandacht krijgt zoals nu hier van mij, of zoals ook toen in haar sollicitatie gesprekken, dan weet ze van geen ophouden en straalt ze onmiddelijk boosheid uit als iemand het waagt haar te onderbreken. Hiermee zaten we tegelijk in de kern van haar mislukte sollicitatie en in de emotionele oorsprong van deze karaktertrek en ben ik verlost van mijn slaperigheid. We zijn gaan oefenen in ‘stoppen met praten en kijken wat er dan gebeurt’. Als ik mijn slaperigheid niet had gewaagd te ‘projecteren’op haar, dan waren we er mogelijk niet, of pas veel later uit gekomen.

Gelukkig is er steeds meer aandacht in aanvullende trainingen voor begeleiders, therapeuten en coaches voor de relationele interaktie en voor persoonlijk zijn met de cliënt, naast deskundig werken voor de cliënt. Scholing op dit gebied vraagt gespecialiseerde supervisie of gerichte training en houdt ook een intensief persoonlijk proces in, waar wij niet alleen zelf baat bij hebben, maar ook onze cliënten. Het is geen nieuwe methode, geen nieuw ‘instrument’, het gaat hier om persoonlijke heelwording, zelfkennis en zelfacceptatie. Als het werkelijk zo is dat onze persoonlijkheid ons belangrijkste instrument is, dan zijn onze persoonlijke grenzen tevens de grenzen van ons professionele kunnen. Gaan we die grenzen bewust met persoonsgerichte training of supervisie verleggen, dan zijn in dat leerproces persoonlijke en professionele groei onafscheidelijk met elkaar verbonden.